Een hele les die je helemaal zelf kunt doen. Je luistert naar het dictee, typt het op en kijkt het na. Daarna oefen je met de woordsoorten en de zinsdelen.
🎯 het lijdend voorwerp🎯 het werkwoordelijk gezegde🎯 het persoonlijk voornaamwoord🎯 het bezittelijk voornaamwoord
📖
Eerst opfrissen: wat betekenen de woorden?
Twijfel je over een begrip? Klik hieronder open en lees het na. Je mag het tijdens de les altijd nakijken.
Persoonsvorm
Het werkwoord dat verandert als je de tijd of de zin vragend maakt. scant · wil · meldt
Werkwoordelijk gezegde
Álle werkwoorden samen (de persoonsvorm + de andere werkwoorden). wil uitwerken · heeft bezocht
Onderwerp
Wie of wat hoort bij de persoonsvorm? Vraag: wie/wat + persoonsvorm?hij · Chris van Bruggen
Verwijst naar personen: ik, jij, hij, zij, wij, jullie — en ook mij, jou, hem, haar, ons.
Bezittelijk voornaamwoord
Zegt van wie iets is: mijn, jouw, zijn, haar, ons, hun.
Stoffelijk bijvoeglijk naamwoord
Zegt van welk materiaal iets is en eindigt op -en: houten, katoenen, zijden, gouden.
Voorzetsel
Klein woordje voor plaats of richting: in, op, aan, tegen, uit. Truc: "… de kast" → in/op/onder de kast.
1
Het dictee
Klik op 🔊 Luister, typ wat je hoort en klik daarna op Nakijken. Denk aan de hoofdletters en de leestekens! Je mag zo vaak opnieuw luisteren als je wilt.
Kies hierboven de stem die het duidelijkst klinkt en zet het tempo op Langzaam als je het lastig vindt. Je mag zo vaak op 🔊 Luister klikken als je wilt.
⚠️ De ingesproken audio kon hier niet automatisch afspelen. Dit gebeurt soms in een voorbeeldvenster. Open het gedownloade bestand rechtstreeks in je browser (bijvoorbeeld Google Chrome) — dan hoor je de ingesproken stem. Klik anders nog één keer op 🔊 Luister.
Er is geen Nederlandse stem op dit apparaat gevonden; er wordt dan een standaardstem gebruikt. Tip: Google Chrome heeft meestal een mooie Nederlandse stem, of vraag je juf/meester om voor te lezen.
Deel A — Losse woorden
Deel B — Hele zinnen
2
Zinsdelen in het dictee
Kijk nog eens naar twee zinnen uit je dictee. Kies bij elke vraag het juiste antwoord.
Zin 2: Chris van Bruggen scant het afbeeldinkje.
Zin 3: Morgen wil hij het interview op zijn computer uitwerken.
3
Opdracht 1 — Vul het persoonlijk voornaamwoord in
Kies bij elke zin het juiste woord uit het rijtje.
Kies uit:wemijzijikjijjullie
4
Opdracht 2 — Zet de woorden in de goede kolom
Bij elke zin staan 4 woorden door elkaar. Kies welk woord bij welke woordsoort hoort.
5
Opdracht 3 — Markeer de zinsdelen
Kies eerst een knop (de "stift") en klik dan op de woorden in de zin. Klik nog eens om weg te halen.
Stift:
Onthoud: het werkwoordelijk gezegde komt onderstreept, het onderwerp wordt gekleurd en het lijdend voorwerp wordt omcirkeld.
6
Opdracht 4 — Bedenk zelf zinnen
Maak bij elk beroep een zin met een lijdend voorwerp. Schrijf de persoonsvorm met een HOOFDLETTER of zet er sterretjes *zo* omheen, zodat je hem zelf kunt onderstrepen.
Voorbeelden (de persoonsvorm staat schuin):
De monteur repareertde oude motor.
De laborant onderzoekteen klein druppeltje bloed.
De boswachter voertde jonge reeën.
De secretaresse planteen belangrijke vergadering.
⭐
Klaar!
Goed gewerkt. Hieronder zie je hoeveel onderdelen je al hebt nagekeken.
Je hebt 0van de 6 onderdelen nagekeken.
💡 Spellingtip
Leenwoorden (zoals downloaden, scant, interview, computer) onthoud je het best door ze drie keer over te schrijven. Houd je een categorieschrift bij? Schrijf lastige woorden dan op de bladzijde van hun categorie en vul die steeds aan.